|
Voorstel van resolutie van de dames Sabine Poleyn en Stern Demeulenaere en de heren Philippe De Coene en Jef Tavernier betreffende een kennisgedreven toekomst voor West-Vlaanderen Stuk 2222 (2008-2009) Nr. 1, 2/04/2009 TOELICHTING DAMES EN HEREN, Algemeen Op 1 december 2008 legde de heer Paul Breyne, de gouverneur van West-Vlaanderen, samen met de instellingen voor hoger onderwijs in West-Vlaanderen het West-Vlaamse plan voor hoger onderwijs en onderzoek in de provincie voor aan de politieke partijen en de sociaaleconomische actoren. Het plan ontwikkelt een visie op de ontwikkeling van het hoger onderwijs en het onderzoek in de provincie en ijvert voor een kennisgedreven toekomst voor West-Vlaanderen. In 2008 studeerden 13.792 jongeren af aan de West-Vlaamse hogescholen en 1130 aan de K.U.Leuven Campus Kortrijk. Ruim 57% van de West-Vlaamse jongeren studeert verder, en dat is een hoog cijfer in vergelijking met andere provincies. In verhouding zijn er wel minder West-Vlaamse jongeren die aan de universiteit studeren, door het beperkte aanbod. Veel jongeren zoeken dus andere horizonten op om te studeren. Op zich is dat zeer positief. Het wordt problematisch wanneer ze na hun studies niet terugkomen. West-Vlaanderen kent een negatief migratiesaldo bij 20- tot 35-jarigen. De braindraincijfers zijn lichtjes verbeterd, door de aantrekkingskracht van innovatieve hogere opleidingen bij West-Vlaamse instellingen. Een verder gevolg van het beperktere aanbod aan hoger onderwijs, en meer bepaald academisch hoger onderwijs, is dat er zeer weinig onderzoeksmiddelen naar projecten gaan van het West-Vlaamse hoger onderwijs. Slechts 1,4% van de Vlaamse onderzoeksmiddelen wordt in West-Vlaanderen ingezet. Al deze elementen hebben hun gevolgen voor de regionale economie. Minder hoger onderwijs en minder onderzoek betekent minder innovatie en minder aantrekkelijke banen voor jonge hooggeschoolden. De bedoeling van het plan van de gouverneur is om alle krachten in West-Vlaanderen te bundelen en in te schrijven in het 'Vlaanderen in actie'-plan (ViA) dat van Vlaanderen een topregio wil maken, wat in de huidige economische context meer dan ooit belangrijk is. De visienota ijvert voor meer kennisontwikkeling en -verspreiding in het hoger onderwijs, binnen zes zorgvuldig gekozen kennisdomeinen, en omvat zowel een deel over meer onderzoek (kennisontwikkeling) als een deel over het belang van een goed onderwijsaanbod (kennisverspreiding). Kennisontwikkeling: onderzoeksinvesteringen bundelen West-Vlaanderen kiest zes kennisdomeinen waarbinnen sterk innovatief samengewerkt wordt tussen onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven. De domeinen sluiten aan bij de Vlaamse speerpunten van het wetenschapsbeleid. Het gaat om: 1° ontwerp, proces- en productontwikkeling, systematische creativiteit en innovatie, toegepaste kunst; 2° materialen en materiaalonderzoek, vooral kunststoffen, vezels en textiel; 3° gezondheid en welbevinden, vooral gezondheidszorg, vergrijzing en voeding; 4° onderwijs en kennisoverdracht, onderwijstechnologie en -innovatie; 5° milieu en milieubeheersing, vooral aquatisch milieu en duurzame energie; 6° internationale en interculturele relaties, grensregio's, grensoverschrijding, toerisme en logistiek. Binnen die domeinen worden onderzoeksinvesteringen gebundeld. Laagdrempelig onderzoek kan via kennisvalorisatie een opstap zijn naar meer innovatie bij kmo's. De hoogdrempelige vormen van onderzoek die meer fundamenteel van aard zijn, moeten op internationaal vlak meekunnen. Kennisverspreiding Vernieuwende opleidingen gesteund op kennisontwikkeling zullen in West-Vlaanderen mogelijk gemaakt moeten worden. Met het rationalisatieproces zal omzichtig en verstandig moeten worden omgegaan, rekening houdend met de verwachtingen in het sociaaleconomische veld. Het volledig aanbod van driejarige academische bachelors kan gerealiseerd worden en selectieve initiatieven op masterniveau moet worden toegelaten. Op het gebied van initiatieven van levenslang leren moet worden samengewerkt. Schakelprogramma's, ten slotte, moeten worden geoptimaliseerd, zodat studenten vlotter kunnen doorstromen. Een aantal kritische succesfactoren moet worden vervuld om dit globale plan te kunnen realiseren, zoals: de grensoverschrijdende samenwerking voor studenten en docenten moet nog veel sterker worden uitgebouwd; met het oog op een coherent stelsel van hoger onderwijs moet de mobiliteit worden verbeterd (zowel binnen de provincie als om de bereikbaarheid van grensoverschrijdende initiatieven te verbeteren). Een West-Vlaams fonds voor kennisgedreven ontwikkeling moet gestijfd worden. Dat kan op voorwaarde dat: het project ook positief onthaald wordt door de bedrijven; de associaties zich engageren om te voorzien in extra onderzoeksmiddelen, voldoende campussen en de koppeling van nieuwe unieke opleidingen aan de clusters die worden vooropgesteld in West-Vlaanderen; de samenwerking tussen de onderwijsinstellingen en de bedrijven concreet wordt gerealiseerd in elk project; er een concrete invulling komt van het plan, zowel wat betreft de financiering als wat betreft de concrete projecten. Wanneer relevante actoren, zoals de provincie West-Vlaanderen, de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, de instellingen voor hoger onderwijs, de bedrijven, de onderzoeksactoren en anderen nu de handen in elkaar slaan, kan dit een gedeeld en gedragen plan worden dat de West-Vlaamse economie op een topniveau brengt op basis van sterk onderzoek en sterke opleidingen. Sabine POLEYN Stern DEMEULENAERE Philippe DE COENE Jef TAVERNIER VOORSTEL VAN RESOLUTIE Het Vlaams Parlement, gelet op: 1° de Lissabonstrategie met betrekking tot het onderwijs in Europa; 2° het Pact 2020 van de Vlaamse Regering; 3° het beperkte aanbod hoger onderwijs in West-Vlaanderen en de sociaaleconomische, maatschappelijke en demografische gevolgen daarvan; 4° de beperkte onderzoeksmiddelen in West-Vlaamse onderwijsinstellingen als gevolg van het beperkte aanbod aan academische opleidingen; 5° de aanbevelingen in de nota 'Voor een kennisgedreven toekomst voor West-Vlaanderen: visie op de uitbouw van het hoger onderwijs en het onderzoek in de provincie Concepten voor een plan op middellange termijn (2009- 2014)' van 1 december 2008 van de heer Paul Breyne, met betrekking tot het opleidingenaanbod; 6° de aanbevelingen in de nota 'Voor een kennisgedreven toekomst voor West-Vlaanderen: visie op de uitbouw van het hoger onderwijs en het onderzoek in de provincie Concepten voor een plan op middellange termijn (2009-2014)' van 1 december 2008 van de heer Paul Breyne, met betrekking tot het onderzoeksfonds 'West-Vlaams Fonds voor Kennisgedreven Ontwikkeling'; 7° het engagement van de Associatie K.U.Leuven en de Associatie UGent; 8° het engagement van de bedrijfswereld en de sociaaleconomische partners; 9° de schriftelijke vraag van 23 december 2008 van mevrouw Sabine Poleyn aan mevrouw Patricia Ceysens, Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel, betreffende de beperkte onderzoeksmiddelen in West-Vlaanderen; 10° het antwoord van de heer Frank Vandenbroucke, Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming, op de op 19 maart 2009 door mevrouw Sabine Poleyn gestelde vraag om uitleg over onderzoek en hoger onderwijs in West-Vlaanderen, met aansluitende vragen van de heren Philippe De Coene en Jef Tavernier; vraagt de Vlaamse Regering: 1° betreffende het opleidingsaanbod: a) onder voorbehoud van een bekwame aanpak van het rationalisatieproces, initiatieven te nemen om de onderwijsbevoegdheden van de instellingen hoger onderwijs in West-Vlaanderen aan te passen, bij voorkeur binnen de zes gekozen kennisdomeinen: 1° ontwerp, proces- en productontwikkeling, systematische creativiteit en innovatie, toegepaste kunst; 2° materialen en materiaalonderzoek, vooral kunststoffen, vezels en textiel; 3° gezondheid en welbevinden, vooral gezondheidszorg, vergrijzing en voeding; 4° onderwijs en kennisoverdracht, onderwijstechnologie en -innovatie; 5° milieu en milieubeheersing, vooral aquatisch milieu en duurzame energie; 6° internationale en interculturele relaties, grensregio's, grensoverschrijding, toerisme, logistiek; b) specifieke aandacht te hebben voor de behoeften van de jongeren uit de Westhoek, bijvoorbeeld door middel van het hoger beroepsonderwijs; c) grensoverschrijdende samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs te stimuleren, ondermeer door een verbetering van de mobiliteit en logistieke ondersteuning, onder andere in het kader van de Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking (EGTS) Lille-Kortrijk-Tournai en EGTS West-Vlaanderen/Flandre-Dunkerque-Cτte d'Opale; 2° betreffende het onderzoek: a) te onderzoeken hoe een onderzoeksfonds voor West-Vlaanderen vorm kan krijgen; b) te overwegen hoe aan de middelen voor projectmatig wetenschappelijk onderzoek als volwaardige component in de onderzoeksfinanciering van de hogescholen een meer structureel karakter kan worden toegekend. Sabine POLEYN Stern DEMEULENAERE Philippe DE COENE Jef TAVERNIER |